Onderwijskundig beleid

Een gymnasiale opleiding vormt een uitstekende aanloop naar het wetenschappelijk en het hoger beroepsonderwijs. Het percentage eindexamenleerlingen dat de studie voortzet aan de universiteit is hoog. De leerlingen kunnen in het algemeen heel wat aan, waardoor de school in staat is hun een programma op niveau voor te zetten. De kennismaking met de klassieken geeft daar een extra dimensie aan. De leerlingen komen hierdoor in aanraking met vraagstellingen en methoden die nog altijd geldig zijn; onze cultuur en wetenschap zijn er voor een flink deel op gebouwd.

Om het gymnasium te doorlopen, hoeft een leerling niet hoogbegaafd te zijn. Hij moet een ‘VWO-verstand’ hebben, en vooral doorzettingsvermogen en plezier in het leren.
In klas 4 begint de bovenbouw. De leerlingen vullen het algemeen verplichte deel van het programma aan met de keuze van één van de vier profielen en met vakken die de school aanbiedt in het vrije deel. Op het gymnasium maken één van de klassieke talen en het vak Klassieke Culturele Vorming (KCV) deel uit van het verplichte deel. Klassieke vorming beperkt zich niet alleen tot de lessen Grieks, Latijn en KCV. Ons doel is het ontwikkelen van de “forma mentis”, het ontwikkelen van een kritische en analytische houding bij onze leerlingen.

Als categoriaal gymnasium bieden we onderwijs aan op hoog niveau: er is per vak meer aanbod in kennis en vaardigheden dan het minimale curriculum. Onze verwachtingen over de prestaties van leerlingen liggen relatief hoog. De school biedt de mogelijkheid tot het kiezen van extra vakken in de bovenbouw. Aangezien we uitgaan van verschillen in interesses, werktempo, capaciteit en leerstijlen, is er aandacht voor differentiatie in onder- en bovenbouw.